Wie schrijft de nieuwe Bergrede?

Op 2 februari j.l. hield Joris Luyendijk de Bergredelezing in de Amersfoorste Bergkerk, waarin hij betoogt dat de Bergrede actueler is dan ooit. In het verlengde van zijn boek “dit kan niet waar zijn” stelt hij dat een moreel appel op instituties die zelf een amorele grondslag hebben niets zal uitrichten of opleveren. Hij concludeert dat er betere wetten nodig zijn die de amorele prikkels wegnemen, in plaats van het aanpakken van hen die amoreel handelen. En dat we die betere wetten in ons democratisch bestel prima kunnen maken.

Ik denk dat Luyendijk een interessant punt te pakken heeft, maar de verkeerde conclusies trekt.

Een belangrijke veronderstelling van hem is dat intrinsieke motivaties beter of belangrijker zijn voor het gedrag van individuen dan externe stimuli. Het is precies om die reden echter dat het verwachten van gedragsverandering via externe stimuli, zoals betere wetten, een heilloze weg is. Er zijn in de recente westerse geschiedenis maar erg weinig voorbeelden van een gedragsverbetering via wetgeving. Het omgekeerde is vaker het geval: wetgeving welke leidt tot ontduiking of creatieve interpretatie ervan. De amorele mens blijkt vaak vindingrijker dan de wetgever kan zijn.

Zijn tweede punt dat de democratie deze betere wetten kan formuleren, is eveneens een misvatting. Misschien is ons democratische bestel juist het probleem wanneer het gaat om het willen regelen van zaken via betere wetten. Zo heeft het Kabinet in 1994 vol elan een grootse ambitie geformuleerd onder de noemer “marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit”. De ambitie was om minder, eenvoudiger en betere regelgeving te realiseren en de administratieve lasten te beperken. Luyendijk zal wellicht stellen dat dit een voorbeeld is van het amorele neoliberale kabinetsbeleid, maar mijn punt is dat zelfs zo’n neoliberaal beleid opzichtelijk heeft gefaald in het realiseren van minder, eenvoudiger en betere regelgeving. Sinds de start van deze mega-operatie is de regelgeving juist minder transparant en veel complexer geworden, met alle mogelijkheden van dien voor diegenen die de wetgeving creatief wensten te interpreteren of te ontduiken. Een belangrijke oorzaak daarvan is juist ons democratisch bestel, welke vaak leidt tot wetgevingscompromissen of incident gedreven regels.

Als de Bergrede democratisch tot stand had moeten komen, dan hadden we nooit zo’n heldere en inspirerende tekst gehad!

Mijn stelling is dat de oplossing gevonden moet worden in het bevorderen van  intrinsiek gemotiveerd gedrag. Dat klinkt wellicht vager, ingewikkelder of minder realistisch dan het simpelweg maken van betere wetten, maar is dat ook zo? En hoe controleer je dat dan, wie spreekt wie hierop aan en op grond waarvan dan? Allemaal terechte vragen, waarop Luyendijk zelf het begin van het antwoord geeft.

De Bergrede is het begin van dat antwoord. De invloed en betekenis die de Bergrede door de eeuwen heen heeft gehad is misschien het best te verklaren doordat deze tekst mensen aansprak op hun morele bewustzijn en doordat deze uitgesproken werd door een figuur die mensen graag wilden volgen. Nu de invloed van het (institutioneel gedragen) geloof tanende is dat de Bergrede voortbracht, is het wellicht tijd voor een nieuwe Bergrede geformuleerd en in praktijk gebracht door de cultuurdragers van een nieuwe orde van beschaving. En die nieuwe cultuurdragers kunnen jij en ik zijn, het kunnen al diegenen zijn die inzien dat intrinsieke motivaties als geluk, vrijheid, rechtvaardigheid, gezondheid en vrede uiteindelijk veel belangrijker zijn dan externe motivaties als geld, bezit en macht over anderen.

Het ontwikkelen van een nieuw handelingsperspectief waarin de moraal centraal staat is wellicht de belangrijkste uitdaging in deze tijd. En dan gaat het zowel over de institutionele als de individuele moraal. Er moet een nieuw gedragsrepertoir ontwikkeld worden, waarin de intrinsieke motieven centraal staan. Luyendijk noemt dit een doorlopende conversatie over welke geboden wij als leidraad nemen. Ik noem het een moreel beraad, dat in plaats van betere wetten het betere gesprek tot stand brengt tussen leiders, uitvoerders, toezichthouders en klanten.

Maar dit is niet genoeg, daadwerkelijke verandering begint bij het doen in plaats van het zeggen! Ik daag daarom iedereen uit zichzelf de vraag te stellen of tenminste geprobeerd is om vanuit de eigen kernwaarden en morele grondslagen te handelen in de dagelijkse praktijk. En dat iedere dag opnieuw.

Wellicht dat op deze wijze de gulden regel “doe een ander niet dat u niet wilt dat u geschiedt” nieuw leven kan worden ingeblazen.